FILOSOFISCH ELFTAL – Een Duitse politicus laat twee vluchtelingen in zijn eigen huis logeren. Ethicus Paul van Tongeren vraagt zich af waarom hij dat voorbeeld niet volgt.

 

Bij de Duitse CDU-politicus Martin Patzelt wonen sinds kort twee vluchtelingen uit de Oost-Afrikaanse dictatuur Eritrea in huis. Patzelt en zijn vrouw raakten met hen in gesprek na een kerkdienst. Het echtpaar wilde de Eritreeërs helpen bij hun inburgeringsproces in Duitsland. Nu delen ze de zolder met hun nog thuiswonende zoon, in een dorpje bij Frankfurt.

De toestroom van zowel politieke als economische vluchtelingen naar Europa is dit jaar ongekend hoog. Zuid-Europese landen als Griekenland en Italië weten nauwelijks meer raad met het aantal van zee te redden ontheemden, die in overvolle kampen terechtkomen. Op het Griekse eiland Kos lopen de spanningen tussen de migranten en de autoriteiten op, doordat de voorzieningen uiterst gebrekkig zijn.

Berichten hierover bereiken ons dagelijks, zonder dat een oplossing zelfs maar in zicht komt. Kunnen wij iets doen? Moeten wij het voorbeeld van politicus Martin Patzelt volgen?

Paul van Tongeren, hoogleraar wijsgerige ethiek in Nijmegen en Leuven: “Het vluchtelingenprobleem is volgens mij het grootste ethische probleem dat we hebben. De lastigste vraag die de ethiek ons hierover stelt luidt niet: ‘Wat moet ik doen?’ Want we weten eigenlijk allemaal heel goed wat we zouden moeten doen. We moeten vluchtelingen niet laten verdrinken. We moeten ze gastvrij onderdak bieden.

“Het probleem is dus niet dat we niet zouden weten wat we moeten doen. Het probleem is ook niet dat we niet zouden weten hoe we het zouden moeten doen. Dat is namelijk een technisch, praktisch dan wel logistiek probleem; daar zijn we reuze goed in, daar komen we altijd wel uit.

“Het enige ethische probleem is: ‘Als we weten wat we moeten doen, waarom doen we het dan niet?’ Er is een nood die iedereen herkent. Zelfs mensen die zeggen: ‘Europa is vol’, vinden dat je deze mensen niet moet laten verdrinken of verkommeren. Maar waarom doen we dan zelf niks? Waarom doe ík zelf niks?

“Moraal en ethiek zijn in de kern heel simpel. Immanuel Kant constateert dat ook in het voorwoord van zijn dikke pil over ethiek: eigenlijk is dit boek niet nodig, want de meest eenvoudige man weet wat hij ethisch gezien moet doen. Het probleem is alleen dat wij voortdurend redeneren om geen gehoor te hoeven geven aan de morele verplichtingen die we zelf erkennen.

“Ik doe niet wat die Duitse politicus doet die vreemdelingen in huis neemt. En ik begrijp eigenlijk niet waarom ik het niet doe, want ik weet dat hij moreel gezien het juiste doet.”

Ingrid Robeyns, hoogleraar ethiek van instituties aan de Universiteit Utrecht: “Ik zou zelf om persoonlijke redenen niet gauw een vluchteling in huis nemen. Maar ik neem aan dat het je niet uitmaakt wát je precies doet, zolang je maar iets effectiefs doet, passend bij je persoonlijke draagkracht en vermogen.”

Van Tongeren: “Inderdaad. Dat zou ook via een extra gift kunnen of via vrijwilligerswerk of weet ik wat. Het gaat er mij om dat er allerlei betrekkelijk onbeduidende redenen te bedenken zijn om niks te doen, zoals ‘ik ben gesteld op mijn privacy’ of ‘het helpt toch niets’ of ‘ik ben over-geïnformeerd, er is zoveel ellende in de wereld dat ik niet weet waar ik moet beginnen’. Van al die redenen weet ik dat ze eigenlijk niet opwegen tegen de mate van de nood. En toch geef ik die redenen kennelijk meer gewicht dan mijn morele intuïtie dat ik iets zou moeten doen.”

Robeyns: “Ik denk dat de reden waarom wij niks doen te maken heeft met het heersende mensbeeld in onze cultuur. Dat heeft drie aspecten.

“Ten eerste gaan we hier nogal graag uit van individualisme. Geluk en voorspoed zijn te verdienen door eigen inzet. De situatie waarin wij rijke westerlingen ons bevinden, zouden we dus aan onszelf te danken hebben. En de problemen van andere landen zijn niet onze problemen. Maar dit dominante idee is niet correct. Wij hebben vooral geluk gehad dat we hier geboren zijn. Wij hebben die landen gekoloniseerd, dolven hun grondstoffen, wij leverden wapens, wij steunden de dictators. We zijn onlosmakelijk met ze verbonden.

“Ten tweede denken we van onszelf dat we uit vrije wil besluiten iets wel of niet te doen en ons handelen onder controle hebben. Maar uit de morele psychologie blijkt dat we in onze handelingen in aanzienlijke mate bepaald worden door de omgeving. De externe invloed is veel sterker dan we zelf graag geloven. Dus, als je rationeel vindt dat je iets moet doen om vluchtelingen te helpen, moet je jezelf via anderen dwingen om ook tot actie over te gaan, want enkel goede voornemens leiden vaak niet tot actie.

“Ten derde is ons maatschappelijke zelfbeeld sterk veranderd: van een ‘lid van een politieke gemeenschap’ naar een ‘consument in een vrije markteconomie’. Zelfs overheidsinstellingen behandelen burgers als ‘klanten’. We zijn mensen met individuele projectjes en bekijken elkaar in termen van maatschappelijk en materieel succes. Alleen al de vraag: wat kan ik terugdoen voor mijn gemeenschap, voor mijn land, wordt als gedateerd moralistisch ervaren.”

Van Tongeren: “Precies, juist daarom valt die Duitse politicus ook zo op. Hij laat iets zien wat vroeger, ten tijde van de Eerste Wereldoorlog of tijdens de Hongaarse opstand, heel normaal was: burgers gaven onderdak aan vluchtelingen, politici stimuleerden hen daartoe. Nu doet onze politiek het omgekeerde: zogenaamd uit naam van de burger zegt ze dat er geen vluchteling meer bij kan. Maar hoe belangrijk de omgeving, de politiek en het discours ook zijn: ik wil anderen niet de schuld geven, ik wil weten waarom ik zélf niks doe.”

Robeyns: “Omdat je daar anderen voor nodig hebt. Zoals bij het afkicken van een verslaving moet je erkennen dat sommige gedragsveranderingen zoveel wilskracht vergen dat je ze niet in je eentje kunt realiseren en volhouden. Je hebt motiverende voorbeelden nodig, zoals die Duitse politicus.

“Filosoof Peter Singer heeft veel geschreven over de morele psychologie van vrijgevigheid, onder andere in zijn boek ‘The Life You Can Safe’. Hij stelt dat de vraag of je in staat bent om 1 tot 10 procent van je inkomen aan mensen in nood te geven vooral afhangt van de vraag of je anderen om je heen hebt die hetzelfde doen. Intussen bestaan er organisaties van ‘effectieve altruïsten’ waar mensen zich online aan kunnen verbinden, zoals ‘Giving what we can.’ Het is een begin.”

Trouw, 14-8-’15 © Marc van Dijk