René Gude (1957-2015) was de beste ambassadeur die de filosofie zich kon wensen. Hij was een erudiete spraakwaterval, stand-up filosoof en bevlogen leraar die de rol van Denker des Vaderlands op onnavolgbare wijze wist te vervullen.

Afgelopen zomer zei René Gude tegen een bevriende journalist, die tranen in zijn ogen kreeg nadat hij hem bij de koffie verteld had dat hij Kerst waarschijnlijk niet zou halen: “Het wordt toch ook tijd. Ik heb jaren geleden in de krant al gezegd dat ik doodga. Dan moet ik dat ook een keer doen. Anders voelen de lezers zich bedot.”

Een typische Gude-grap, getuigend van zelfspot, maar ook van empathie. Op zo’n uitspraak volgde namelijk steevast een aanstekelijke lach, die zowel hemzelf als zijn gespreksgenoot meenam en bevrijdde van stroef ongemak, zwaarmoedigheid of melancholie. Niet dat de werkelijkheid daarmee ontkend werd, integendeel. Hoogstens ontnam hij zijn ziekte het recht om zijn humeur te verpesten. En dat van de mensen om hem heen.

Het was die omgang met de aangekondigde dood die tegen wil en dank een factor van betekenis werd in de laatste jaren van zijn leven. Het eerste ontregelende signaal kwam ruim zeven jaar geleden, vertelde hij in Filosofie Magazine, het maandblad dat hij zelf had opgericht.

Gude woonde met zijn vrouw en (tot ze gingen studeren) twee zoons in een woonboot aan de noordelijke IJ-oever, met zicht op het Amsterdamse Centraal Station. Toen ze de vorige woonboot op die plaats verruilden voor een nieuwe, en de oude wegbrachten naar het adres van de nieuwe eigenaars, gebeurde er iets wat hun levens op zijn kop zette.

“Het was een zonnige dag, eind november 2007. Mijn zoon stond aan het roer, ik gooide in de sluizen de touwen om de bolders. We meerden hem keurig netjes af in zijn nieuwe haven. Ik liep over het achterdek om de laatste lijntjes te controleren, ik stapte van een trapje af en toen hoorde ik het geluid van brekend bot. Ik was nog niet eens gevallen. Ik had mijn been al gebroken voordat ik gevallen was, heel raar. En toen lag ik daar op het achterdek. De brandweer heeft me weg moeten takelen.”

In het ziekenhuis volgden een onderzoek en een operatie. Aanvankelijk leek er niet veel aan de hand te zijn, maar na drie maanden volgde alsnog een alarmerende diagnose: botkanker. Hij moest opnieuw onder het mes; het complete bot inclusief tumoren in zijn bovenbeen diende te worden verwijderd en vervangen door een prothese van titanium. Daarna begonnen de eerste chemokuren.

Droombaan

Na anderhalf jaar vol medische behandelingen stabiliseerde de toestand en kon het leven doorgaan alsof er niets gebeurd was. Gude hervatte zijn werk als directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) te Leusden. Het was zijn droombaan. Zijn tweede om precies te zijn. In het succesvolle interviewboek ‘Stand-up filosoof’ van Volkskrant-journalist Wilma de Rek memoreert Gude dat hij in de eerste periode na zijn filosofiestudie ‘explodeerde van de richtingloze interesse’.

Dat was veranderd toen hij vanaf 1993 met een groep gelijkgestemden Filosofie Magazine opzette. Gude en de zijnen kwamen daarmee aan de basis te staan van wat nu de ‘publieksfilosofie’ genoemd wordt. Er vormde zich ‘een gilde’ van mensen die filosofie toegankelijk wilden maken voor een breed publiek. “Toen ik eenmaal hoofdredacteur en uitgever van Filosofie Magazine was, zei ik tegen mijn geliefde Babs: ‘Ik weet nu wat ik altijd heb willen worden: hoofdredacteur en uitgever van een populair filosofisch tijdschrift.’ Want dat was ik toen. En na mijn eerste dag bij de ISVW kwam ik thuis en zei tegen Babs: ‘Wat ik nou écht altijd heb willen worden, is hoofd der school’.”

De ISVW is een eerbiedwaardig instituut dat tijdens de Eerste Wereldoorlog werd opgericht door onder anderen de schrijver Frederik van Eeden, ter stimulering van vreedzame ontmoeting en uitwisseling van ideeën. Hier kon Gude vanaf 2002 zijn expertise en praktijk als publieksfilosoof verder uitbouwen. Hij leidde workshops en haalde, geheel in lijn met de traditie van de ISVW, toonaangevende denkers naar Nederland, van Francis Fukuyama tot Martha Nussbaum. Bovendien wist hij het hotel en conferentieoord financieel gezonder te maken. Hij was niet voor niets de zoon van een ondernemer, zoals hij zelf zei.

Zijn daadkracht beperkte zich niet tot de ISVW; er kwamen mede dankzij hem een Maand en een Nacht van de Filosofie, die hij met enkele even scherpe en snelle collega’s steevast afsloot met het populaire onderdeel stand-up philosophy.

In november 2009 interviewde Gude op verzoek van koningin Beatrix de Duitse sterfilosoof Peter Sloterdijk in het Paleis op de Dam. Met Sloterdijk was hij dankzij diens vele gastoptredens op zijn ‘school’ hecht bevriend geraakt, regelmatig ging hij met hem naar het Canarische eiland Lanzarote. Intussen was sprake van serieuze wederzijdse beïnvloeding. Gude sprak steevast over filosofie als ‘trainingsprogramma’ ter verbetering van de omgang met onszelf, de dingen en elkaar; een principe dat Sloterdijk ook sterk thematiseert in zijn laatste boeken.

Filosofie was voor Gude in eerste en laatste instantie een praktische zaak, ‘een efficiënte vorm van tobben’. Filosofie moest reële vragen verhelderen, ‘zonder dat de beoefenaren zich verliezen in gecultiveerde scepsis of in het schijnbaar eminente inzicht dat we niets zeker weten’. Zoals hij in een column schreef: ‘Wie het vraag- en antwoordspel niet beheerst, is gedoemd om als een kip zonder kop rond te rennen of als een kop zonder kip voor altijd te blijven piekeren. Dogma doorbreek je met scepsis, maar echt kritisch ben je pas als je ook passende antwoorden durft te geven.’

Denker des Vaderlands

In 2011 bleek de kanker terug te zijn. In april van dat jaar kreeg Gude te horen dat hij 10 procent kans had om nog twee jaar te leven. Zijn rechterbeen werd geamputeerd. “Vanaf nu heb ik uitsluitend nog eenzijdige standpunten”, grapte hij.

Niet lang nadat hij als directeur van de ISVW was teruggetreden, volgde hij in mei 2013 Hans Achterhuis op en werd hij de tweede ‘Denker des Vaderlands’. Waar Achterhuis deze erefunctie vooral had ingevuld als ‘tegendenker’, ingaand tegen hardnekkige misvattingen, positioneerde Gude zichzelf als ‘meedenker’. In het Filosofisch Elftal, de Trouw-rubriek waar hij 9 jaar deel van had uitgemaakt, zei hij hierover: “Natuurlijk ben ik als Denker des Vaderlands maar in mijn eentje. Maar ik kan wél bewust proberen om de gezamenlijke intelligentie te bevorderen. De filosofie als butler, die dienstbaar blijft, ook als de aristocratische familie plots moraalkolieken krijgt.”

Als getrainde leraren moeten filosofen mensen begeleiden bij het denken over eender welke praktijk, vond Gude. “Dat betekent niet: het voorschrijven van de oplossing, maar het aangenaam en efficiënt maken van het denkproces dat de vaklui in kwestie zelf al hebben. Met eerbied voor ieders ambacht: meedenken is het ambacht van de filosoof.”

Al in zijn eerste dagen als Denker des Vaderlands verscheen hij in meerdere kranten, magazines en radioprogramma’s en schoof hij aan bij het populaire tv-programma ‘De wereld draait door’. Een kickstart. En hoewel zijn ziekte hem het optreden af en toe belette, hield hij het tempo vanaf dat moment ongekend hoog. In zijn eigen woorden: “Ik heb nog nooit zo hard gewerkt als sinds ik arbeidsongeschikt ben verklaard.”

Overal waar hij werd uitgenodigd, bij al die grote en kleine interviews, soms meer dan één per dag, werd hem gevraagd hoe het ervoor stond met zijn gezondheid. Steeds benadrukte hij dat hij ondanks zijn situatie geen bijzondere kennis had over de dood, laat staan over wat er zou gebeuren na de dood. “Mijn eerste emotie was: wegwezen, rennen! Maar toen ik erover ging nadenken, dacht ik: ik heb geen idee waar ik bang voor ben. En ik vind dat je tenminste een idee moet hebben voordat je bang wordt. Zoals je tegen een kind zegt: je hoeft niet bang te zijn voor spoken, denk nou eens na, die bestaan helemaal niet. Waarom halen ze anders nooit de krant, met hun streken.”

Op die manier kan je volgens Gude ook je doodsangst ontzenuwen. “Wij kunnen onszelf door onze verbeeldingskracht van alles in ons hoofd halen over de dood. Maar we zullen die beelden nooit kunnen toetsen. Dus als je over je eigen dood nadenkt, dan is dat een behoorlijk abstracte exercitie. Het enige waar ik me druk om kan maken, is de situatie van mijn dierbaren, als ik er niet meer ben. Daar kan ik verdrietig van worden. Maar mijn eigen dood: ik heb gewoon geen idee. Dus kan ik er ook niet benauwd voor zijn.”

Thanatografie

Nu zijn dood een feit is, zal het beeld van hem waarschijnlijk nog meer door dit veelbesproken einde bepaald worden. In de Griekse oudheid, waar Gude in zijn filosofische lessen graag aan refereerde, bestond een woord voor dit fenomeen: de thanatografie, van thanatos (dood) en graphein (schrijven). Zoals Socrates-kenner Ineke Sluiter in haar laatste boekje over de Griekse wijsgeer uitlegt, gaat het hierbij niet simpelweg om ‘het verhaal van iemands dood’, maar om een speciale vorm om te verhalen over iemands leven. Bij sommige levens wordt het levenseinde als het ware de lens waardoor we dat leven bekijken.

Bij Socrates werd de dodelijke gifbeker, waartoe hij na een schimmige rechtszaak veroordeeld was wegens zijn ‘ondermijnende activiteiten’ als rondtrekkende leraar, bepalend voor zijn reputatie. Compromisloze denker, genadeloos confronterend, bleef tot in de dood waardig en trouw aan zijn liefde voor waarheid.

De gifbeker van Gude, niet door mensen maar door de natuur bereid, levert een ander, maar stamverwant beeld op. Net als Socrates was Gude in wezen geen schrijver, maar een gespreksvoerder. Hij stond zich ook niet voor op zijn ‘eigen ideeën’, in zijn ogen waren er in de wereld al ideeën genoeg en was het eerder zaak dat ze goed werden benut en doorgegeven. Vandaar dat hij zichzelf graag zag als ‘conciërge van de filosofie’. Een onvermoeibare leraar die tot op het laatst gedreven werd door de wens om niet alleen bij zichzelf, maar ook bij anderen ‘de spier van de rede’ te trainen.

Niet op polemische, eerder op verbindende wijze – allergisch voor geklaag, azijnzeikerij en cultuurpessimisten die enkel alles konden afkraken. Zoals hij bij zijn aantreden als Denker des Vaderlands zei: “Ik denk dat samen denken meer oplevert dan elkaar sceptisch tegenspreken. Een uitbreiding van het repertoire, naast het nog steeds oppermachtige individualisme, waar ik zeer van geniet en wat ik als hoger doel nooit zal opgeven. Naast ‘Ken Uzelf’ wordt ook ‘Ons kent Ons’ een aandachtspunt. Op socratische wijze een gedeelde agenda expliciteren. Wij denken dus wij bestaan.”

Anders dan Socrates was Gude geen horzel, eerder een bij. Hij stak niet, hij werkte, en wilde constructief zijn, dienstbaar aan het grote geheel. Niet voor niets noemde hij zich optimist, of liever: ‘depressionist’. Want o wee als je hem in een geschreven interview neerzette als een softie of naïeveling. Dan herschreef hij het hele artikel. Dat deed hij trouwens sowieso, als hij de kans kreeg.

Een van zijn laatste oneliners is de titel geworden van een boekje dat hij maakte met interviewer en dichter Wim Brands: ‘Sterven is doodeenvoudig. Iedereen kan het.’

Een waarheid als een koe. Maar op een vruchtbare, troostende en altijd lichtvoetige manier spreken over leven en dood, terwijl je eigen einde almaar dichterbij komt, is een zeldzame gave. Sterven als Gude, dat kon er maar één.

René Gude (1957-2015)

1957

Geboren in Indonesië, zoon van Nederlandse ouders

1978-1988

Studies sociale geografie en filosofie in Amsterdam en Utrecht

1993-2002

Hoofdredacteur Filosofie Magazine

2002-2013

Directeur ISVW (Internationale School voor Wijsbegeerte) te Leusden

2013

Benoemd tot Denker des Vaderlands

2014

Bevorderd tot ridder in de orde van Oranje-Nassau

Trouw, 16-03-15

© tekst Marc van Dijk

© foto Mark Kuipers