In zijn boek Op vleugels van de ziel laat filosoof Ton Lemaire zien hoe de mens door de eeuwen heen naar vogels heeft gekeken. Het is een brede cultuurgeschiedenis, maar ook een indirecte aanklacht tegen de joods-christelijke traditie, die de natuur heeft onttoverd. Voordat het gesprek begonnen is, maakt Ton Lemaire (‘Ik ben erg geluidgevoelig’) een stiltegebaar, waarna een vogel hoorbaar wordt. ‘Herken je hem? Het is de winterkoning.’

In zijn onlangs verschenen boek ‘Op vleugels van de ziel’ beschrijft hij hoe inventief dit kleine vogeltje was in de legendarische strijd om het vogelkoningschap. Alle vogels vlogen zo hoog ze konden, en uiteraard overtrof geen enkel exemplaar de eenzame hoogte van de machtige adelaar. Maar toen deze zijn top had bereikt, kwam het winterkoninkje vanuit het verendek van de adelaar tevoorschijn, om op eigen kracht nog net iets hoger te vliegen. Zo verwierf de verstekeling de titel.

Het is een verhaal dat bijna iedereen wel eens gehoord heeft, al weet niemand waar het vandaan komt. Lemaires boek wemelt van dit soort vertellingen, en van bijna archetypische vogelmetaforen die in de meest uiteenlopende culturen voor blijken te komen.

Maar Lemaire beschrijft ook talloze totaal onbekende sprookjes, mythes en overleveringen, steeds met vogels in de hoofdrol. De antropoloog en filosoof legt bovendien uit wat de verhalen betekend hebben, hoe ze in bepaalde culturen deel waren of zijn van religieuze rituelen, volksgeloof of militaire strategie. Wie zou vermoeden dat de Romeinen geen oorlog begonnen, geen tempel bouwden, zonder eerst de actuele vlucht van de vogels te laten ‘lezen’ door een vogelwichelaar?

Lemaire verbindt in zijn boek de prehistorie met het heden, vliegt met arendsogen van het westen naar het oosten en weer terug. Hij biedt, zoals hij zelf zegt, ‘een cultuurgeschiedenis in vogelvlucht’. Hij beschrijft de ontwikkeling van de menselijke verhouding tot de vogels aan de hand van de tegenstelling tussen het archaïsche en de moderniteit en stelt wetenschapsfilosofische vragen over de kenbaarheid van het dier als ander.

Maar waar staat hij zelf? Als schrijver treedt hij niet nadrukkelijk op de voorgrond. Hij is geen ornitholoog, die als een onzichtbare wetenschapper de biologische methode hanteert, en ook niet uitsluitend een antropoloog, die louter in natuur geïnteresseerd is vanwege haar verwevenheid met cultuur. Hij gebruikt kennis van beiden en positioneert zichzelf ergens tussen hen in. Dat hij een fervent natuurliefhebber is met een hang naar milieuactivisme, dat hij Nederland zestien jaar geleden als ‘ecologisch vluchteling’ verruilde voor het Franse platteland, daar gaat het nu even niet om.

Lemaire: ‘Het boek is uit passie geschreven, maar wetenschap is beteugelde passie. Ik ben een product van de Verlichting, van de rationaliteit en de wetenschappelijke benadering. Maar tegelijkertijd betreur ik het dat er zoveel verloren gaat door diezelfde wetenschap. Dankzij de biologie weten we meer dan ooit over dieren. Maar door de biologie zijn we ook allerlei perspectieven kwijtgeraakt: het dier als medesubject, bijvoorbeeld in de vorm van een vogel die een voorteken brengt, kennen we niet meer. Terwijl we wel degelijk de behoefte houden om onze verbondenheid met de natuur te ervaren. Ik zie de ambivalentie van de vooruitgang.’

De schrijver bewaart bewust niet in alles zijn neutraliteit. Soms verhuld, soms expliciet laat hij een aanklacht doorklinken die al het zorgvuldige wikken en wegen van tradities en denkwijzen overstijgt: ernstige kritiek op het antropocentrisme, de idee dat de mens het middelpunt is van de schepping. Lemaire: ‘Inderdaad, het hele boek is in zekere zin een aanval op de joods-christelijke traditie. Op de manier waarop wij met dieren omgegaan zijn, en nog omgaan.’

Volgens Lemaire is het joodse monotheïsme de eerste stap op weg naar de degradatie van dieren tot de wandelende industriële producten die ze geworden zijn in de hedendaagse samenleving, naast de variant van het vertroetelde huisdier of de knuffelbare ijsbeer.

Lemaire: ‘De joden hebben zich als eerste afgekeerd van de verering van dieren, zoals Egypte die gekend heeft. Hun God heeft weliswaar mens en dier geschapen, maar zelf huist hij niet in de natuur, hij staat erboven. Bovendien is alleen de mens geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis. Dit maakt dieren en de rest van de schepping ondergeschikt aan de mens.’
De filosoof Hegel identificeert zich sterk met deze traditie. Lemaire: ‘Hegel vindt dat de joden een enorme sprong voorwaarts hebben gemaakt, door de natuur te onttoveren. Andere volken bleven volgens hem nog “bevangen in de natuur”. Hij ziet de joodse zienswijze als een bevrijding, waarmee de menselijke geest een stapje dichter bij zelfbewustwording is gekomen. Dat zelfbegrip wordt voltooid in de filosofie van Hegel zelf: de mens is geest, en weet dat hij geest is.’

Ook in de hoofdstroom van de filosofie wordt dit gezien als een grote vooruitgang, zegt Lemaire, de onttovering van de natuur maakte de weg vrij voor de moderniteit. ‘Ik wil ook de nadelen van die verworvenheid laten zien. De mens raakte vervreemd van de natuur en de industrialisatie leidt tot de vernietiging van de aarde. Deze zaken waren in aanleg aanwezig in de joods-christelijke traditie, en Hegel heeft ze filosofisch gelegitimeerd. Ik zeg niet dat dit verwerpelijk is – dat zou te simpel zijn – ik zie de dubbelheid van die geschiedenis. We zijn bevrijd van bijgeloof. Maar tegelijkertijd zijn we in een onverschillig universum komen te wonen, een wereld die in zichzelf niets betekent. Wij zijn – zoals altijd – de gevangenen van de geschiedenis, maar ook van die tweeslachtigheid.

Misschien is de moderniteit toch een te kaal huis om te bewonen. We zijn er eenzaam door geworden. Niet voor niets is de mens in de moderne tijd altijd gefascineerd gebleven door datgene wat hij achter zich zou hebben gelaten: het mythische, religieuze, archaïsche.’

Lemaire noemt de vooruitgang de grote mythe van de moderne tijd, de nieuwe weg tot Heil, die ter vervanging moet dienen voor de christelijke verlossingsleer. ‘Sinds de Verlichting zitten we op twee sporen. Bijna tegelijkertijd met de Verlichting ontstond de Romantiek. Romantici drukken uit wat de prijs is van de Verlichting.’

We hebben de natuur vogelvrij verklaard, en dat blijft knagen? Lemaire: ‘De twee stromingen bestaan naast elkaar, in wisselende sterkte. De new-agebeweging is een voorbeeld van een neo-romantische reactie op de onttovering van de natuur. New-agers putten vaak uit culturen waarin vogels nog wél heiligheid representeren.’

Is dat Lemaires antwoord? Moeten we allemaal een opleiding tot sjamaan gaan volgen (het kán in Amsterdam), en gehuld in een verenpak met de overledenen communiceren? Lemaire heeft als vanzelfsprekend respect voor de mensen die de harmonie met de natuur op deze wijze trachten te beleven, maar hij ziet er persoonlijk niet de oplossing in. ‘Ik ben bang voor dweperij en sektarisme.’

Bovendien heeft een tegenbeweging ‘vanuit onze eigen denkwereld’ volgens hem meer slagingskans. ‘Eén van de meest wezenlijke reacties is de evolutietheorie. Dat is een poging om continuïteit te zien in de levensvormen, tegen het christelijke antropocentrisme in.’

Sinds Darwin zijn we weer dier. Maar dat besef daalt maar langzaam in. ‘Nu steeds duidelijker wordt hoe ongelofelijk dicht we als mensen en dieren bij elkaar staan, zijn we daar de consequenties van aan het trekken. De dierenrechtenbeweging is het interessantste voorbeeld: een poging om de rechten van de mens door te trekken naar het dier.’

Toch is ook de ‘politieke’ lijn niet Lemaires vorm. ‘Ik vind het idee heel sympathiek, maar zelfs ik vind het een beetje dwaas om een politieke partij voor dieren op te richten.’

Misschien schuilt er wel een antwoord in wat hij noemt ‘de zoölogie van het zelf’, één van de meest intrigerende begrippen uit Lemaire’s vogelboek. Waar verlichtingsdenkers als Hegel de zelfbewustwording van de mens zien als een ‘innerlijk gebeuren’, een zelfobservatie van de menselijke geest, plaatst Lemaire het proces in een relatie met de buitenwereld: de mens leerde zichzelf kennen via de dieren.

Zijn boek bevat verrassende momentopnames uit die ‘dialoog’, van tekeningen in prehistorische grotten tot dansen waarin vogels geïmiteerd werden. ‘Ik herken het dier als hetzelfde en als anders. De erkenning van het zelf en de ander zijn twee kanten van hetzelfde proces. Dieren hebben niet voor niets zo’n grote rol gespeeld in archaïsche culturen, in sjamanisme en totemisme, in mythes, fabels en sprookjes.’

Waren mensen ooit gaan fantaseren over vliegen, vraagt Lemaire zich af, waren we de ziel gaan ervaren zoals we hem zijn gaan ervaren, als er geen vogels hadden bestaan? Vogels hebben de menselijke ideeën en dromen over vrijheid en transcendentie zo niet mogelijk gemaakt, schrijft hij, dan toch sterk gestimuleerd. ‘Vogels zijn gaan belichamen wat de mens in zichzelf meende te onderkennen aan een onstoffelijke substantie die zich van het lichaam kan losmaken en het kan overleven: de ziel.’

Wie de ouderdom en diepte van onze relatie met de dieren onderkent, zal een dier niet gauw meer als ding beschouwen. We geloven dan misschien niet meer in de vogel als brenger van een voorteken, maar het uitsterven van duizenden vogelsoorten bevat wel degelijk een boodschap.

We bevinden ons tussen de archeopterix, het vliegende reptiel dat geldt als de oervogel, en de feniks, de mythische vogel die zichzelf om de zoveel tijd vernieuwde door in vlammen op te gaan. Lemaire: ‘Maar wij missen het vermogen van de feniks, om uit onze eigen as te herrijzen.’

Ton Lemaire: Op vleugels van de ziel. Vogels in voorstelling en verbeelding. Uitg. Ambo, Amsterdam. ISBN 978-90-263-1986-0, gebonden, 428 pag., € 34,95.

Trouw, 14-04-07 © Marc van Dijk