FILOSOFISCH ELFTAL — Het enige principe dat het kabinet-Rutte II van meet af aan heeft uitgedragen, past op een Hollands wandtegeltje.

 

Je moet elkaar iets gunnen.

De leden van dit team staan zich erop voor dat ze zich niet hebben verloren in pogingen om tot één gezamenlijk verhaal te komen, ze maken afspraken op basis van uitruil, terwijl hun ideologische voorkeuren verschillend zijn en blijven.

De directeuren van de wetenschappelijke bureaus van de beide regeringspartijen denken heel verschillend over deze keuze, bleek uit een opmerkelijk dubbelinterview in Trouw. Monika Sie (PvdA) zou graag alsnog een gezamenlijke visie formuleren, terwijl Patrick van Schie (VVD) dit onnodig en onwenselijk acht.

Monika Sie droeg twee gronden aan voor haar wens. Ten eerste: voor het doorvoeren van aanzienlijke bezuinigingen heb je een gedeeld toekomstbeeld nodig, anders krijg je de bevolking niet mee. Ten tweede: een strikt zakelijke afweging per dossier leidt ook tot een strikt zakelijke beoordeling door de burger. Dat kan tot problemen leiden, zoals in de eerste weken al gebleken is.

Maar daarmee is de vraag of een visie inhoudelijk ook echt nodig is eigenlijk niet beantwoord. Ik leg de vraag voor aan Filosofisch Elftalspelers Ger Groot en Sabine Roeser.

Sabine Roeser, bijzonder hoogleraar politieke filosofie aan de Universiteit Twente: ‘Het is opvallend dat de argumenten van Sie zuiver strategisch en zakelijk zijn. Haar visie op visie zelf is dus zwak, of zelfs: visieloos. Terwijl je ook op puur conceptueel niveau zou kunnen zeggen: beleid maken, dat is middelen verdelen. En hoe wil je de middelen kiezen, zonder dat je een gezamenlijk doel voor ogen hebt?’

Ger Groot, bijzonder hoogleraar filosofie en literatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen: ‘Elke handeling heeft een doel nodig. Anders doe je maar wat. Je probeert iets te bereiken. In het geval van beleid probeer je iets in de maatschappij te veranderen. Daarvoor moet je op zijn minst een beeld hebben van wat er aan die maatschappij beter kan.’

Roeser: ‘Precies. Maatregelen dienen een doel, en daar moet je ze op kunnen toetsen. Dus als je visie verschilt van je teamgenoten, is het zaak om toch tot een vorm van consensus te komen. In plaats daarvan heeft dit kabinet gezegd: over de visie worden we het toch niet eens, dus we gaan niet eens een poging doen. Maar via welke norm kom je dan tot gezamenlijke doelen?

De regering zal zeggen: onze doelen zijn concreet – nivelleren, bezuinigen, opschieten. De achterliggende ideologie kan wisselen: bij het ene doel volgen we de VVD-voorkeur, bij het andere die van de PvdA. Maar in wezen heb je dan geen ijkpunt, geen werkelijk criterium waarmee je ingrijpende maatregelen kan beoordelen. Je voert de willekeur in als spelregel: het kaartenspel dat aan de basis stond van deze samenwerking. Dat is een vorm van pre-theoretisch handelen, terwijl er allerlei politieke theorieën zijn die je kunt gebruiken. Het is in werkelijkheid helemaal niet onmogelijk om tot een gezamenlijke visie te komen, het lijkt er eerder op dat deze partijen dat niet wíllen.’

Groot: ‘Ik denk dat het nog iets subtieler in elkaar zit. In werkelijkheid is die visie er wel degelijk. Ze wordt alleen niet uitgesproken. Uiteindelijk bepaalt het liberale denken de agenda, maar dat blijft onzichtbaar omdat dat als volkomen natuurlijk wordt voorgesteld. Het liberalisme voelt zich vandaag de dag ontslagen van de noodzaak zijn uitgangspunten nog te beargumenteren, omdat de wereld nu eenmaal in elkaar zit zoals het liberalisme zegt dat de wereld in elkaar zit – althans dat is de suggestie.

Ofwel: het marktdenken is het beste omdat dit het nauwste aansluit bij de natuurlijke orde, waarin iedereen concurreert met iedereen. Dit idee wordt ontleend aan een wat versimpeld darwinisme en gepresenteerd als een wetenschappelijke waarheid. Precies daarin schuilt echter de ideologische wending. Een biologisch inzicht wordt van toepassing verklaard op de menselijke samenleving. Daardoor is het geen wetenschap meer, maar het wordt nog wél als wetenschap verkocht. Volgens hetzelfde principe werd ooit het communisme gepropageerd. Ook dat noemde zijn ideologie ‘wetenschappelijk’ en dat betekende dat er dus eigenlijk niet meer over te discussiëren viel.

Politieke macht probeert zich altijd op een dergelijke manier te legitimeren. Want op het moment dat de uitgangspunten daarvan in overeenstemming lijken met de ‘natuur’, kun je het hele politiek debat overslaan. Dan lijken de einddoelen niet langer te berusten op een betwistbare keuze, maar voort te komen uit onontkoombare waarheden.’

Roeser: ‘Ik verwacht dat dit niet lang goed gaat. Het ontwikkelen van een gezamenlijke visie kan natuurlijk ook een iteratief proces zijn, iets dat gaandeweg tot stand komt in de wisselwerking tussen theorie en politieke realiteit. Maar tot nu toe laat men inderdaad niet eens zien dat die wens er is. Dat lijkt me uiterst onverstandig. Niet alleen met het oog op de draagkracht in de samenleving, maar ook voor de eenheid binnen het kabinet: de eerstvolgende keer dat er een discussie is waar de bewindslieden onderling niet uitkomen, gaat het kabinet vallen. Want er is nu geen gemeenschappelijke basis.

Deze aanpak lijkt ingegeven door pragmatisme, maar het schiet zijn doel voorbij. Terwijl er volgens mij heus wel genoeg aanknopingspunten zijn voor een gezamenlijke visie. Beide partijen hebben de vrijheid hoog in het vaandel staan. Bij de VVD is dat de negatieve vrijheid, vrijheid van belemmeringen; bij de PvdA de positieve vrijheid, vrijheid in termen van daadwerkelijke mogelijkheden. Daar zouden ze een criterium op kunnen baseren waarop ze elke maatregel kunnen toetsen.

En sommige maatregelen kunnen ze beide vanuit verschillende waarden motiveren. Bijvoorbeeld: investeren in kinderopvang, als impuls voor de arbeidsmarkt (VVD) of uit een emancipatie-ideaal (PvdA).’

Groot: ‘In beide gevallen gaat het om de vrijheid van het individu, of je die nou definieert als negatieve of positieve vrijheid. Daaruit blijkt precies hoezeer het socialisme in liberale richting is opgeschoven. Het individu is daarvan nooit het uitgangspunt geweest, maar het sociale geheel.

In de jaren negentig, na de val van de Muur, leken de socialisten de trein van de geschiedenis te hebben gemist. Toen moeten ze hebben gedacht: if you can’t beat them, join them. Wij zijn ook een soort liberalen, alleen dan net een tikje socialer. Dat heeft geleid tot de depolitsering van het politieke bedrijf, om het maar in liberale termen te zeggen.

In de paarse kabinetten werd het landsbestuur tot een vorm van beheer, dat ogenschijnlijk alleen maar op de winkel hoefde te passen. Het probleem daarbij blijft dat de partijen voorbijgaan aan hun wezenlijke verschil in opvatting over wat de mens eigenlijk is: een individu en vervolgens een sociaal wezen, of precies andersom?’

Trouw, 23-11-12 © Marc van Dijk