Theoretisch fysicus Robbert Dijkgraaf formuleert in een interview in Trouw drie paradoxen over wetenschap, kunst en techniek. Vakgebieden die in zijn ogen ten onrechte als gescheiden werelden worden gezien.

Een paradox is volgens Van Dale een uitspraak die niet overeenstemt met de gangbare mening, verwoord als een schijnbare tegenstrijdigheid. Een paradox lijkt op het eerste oog ongerijmd, maar bij nader onderzoek bevat hij waarheid. In de wiskunde is een paradox een stelling waarvan zowel de bevestiging als de ontkenning tot een tegenspraak leidt.

I VLEUGELLAM TOT ALLES IN STAAT

Robbert Dijkgraaf: “Nanotechnologie stelt ons in staat alles te maken wat we willen. 3D-printers kunnen elke vorm in elk materiaal vervaardigen. We kunnen liggend in de achtertuin alle grote musea ter wereld bezoeken. Er openbaart zich in onze tijd een enorme ruimte, in termen van kennis en technologische mogelijkheden. Maar helaas leidt dat niet tot een drang tot exploreren en experimenteren, maar tot een soort collectieve pleinvrees.

Wat hebben wetenschappers en kunstenaars nodig, om een plaats te verwerven in de wereld van nu, maar ook in de wereld van de komende twintig, dertig jaar? Een belangrijke vraag, waar we volgens mij een veel te bescheiden antwoord op hebben. Ons antwoord luidt vooralsnog: ‘Ojee, jongens, niet uit de bocht vliegen. Het kan allemaal wel wat minder. Vooral niet te veel gekke bewegingen maken.’ Die houding vormt een wrang contrast met de wereld waarin we leven, een wereld van overvloed.

Nanotechnologie, genetische manipulatie: we beginnen ons te realiseren dat de hele wereld uit Lego-steentjes bestaat. Dat is ook voor de kunst een fantastisch moment. Want we worden allemaal ontwerpers. Maar wat willen we bouwen?

Aan de ene kant zie je de ontwikkeling dat er technologisch zoveel mogelijk is en aan de andere kant zie je dat de wereld als het ware aan blikvernauwing gaat leiden. Want ja, al die expansie moet wel onder controle worden gebracht. Dat baart mij zorgen.

Het gekke is: in vroeger tijden werden mensen wél met een brede blik opgeleid. In de zeventiende eeuw bestond nog het renaissancistische ideaal van de homo universalis, de mens die zich op uiteenlopende terreinen ontwikkelt. Daardoor was de cultureel-maatschappelijke vorming heel breed, heel inclusief. Alles liep heel makkelijk door elkaar. Dat kwam denk ik ook doordat er in die tijd gewoon nog niet zoveel mogelijk was. Je kon prima op zolder een natuurkundig proefje doen, je telescooplens slijpen, ’s middags luit spelen, en dan ’s avonds waarnemingen doen aan de sterrenhemel.

Nu zijn al die disciplines geprofessionaliseerd. Er zijn opleidingen en instituten voor. Elk vakgebied vereist jarenlange specialisatie. Dat maakt wetenschappers tot een soort mollen, die elk in hun eigen discipline hun eigen gangenstelsel graven. Als deeltjesfysicus leef ik ook in zo’n gang. Bijna letterlijk: de deeltjesversneller waaromheen het internationale natuurkundige onderzoek zich concentreert is een ondergrondse tunnel van 27 kilometer. In totaal werken er aan dat project zo’n 20.000 wetenschappers mee. En die zien bij wijze van spreken nooit het daglicht. De kennis die zij hebben, is zo specifiek, dat enkel specialisten het nog kunnen volgen. Die specialisatie zien we overal. Tegelijkertijd wordt de impact van onderzoeksresultaten groter. Daarmee groeit de noodzaak van betere integratie van kennis uit verschillende vakgebieden. Samen zie je méér.”

II GRENZEN OPWERPEN TEGEN DE ONBEGRENSDHEID

“Naar mijn gevoel besteden we meer aandacht aan het graven van nieuwe mollengangen dan aan het creëren van overzicht en dwarsverbanden tussen de stelsels. Dat laatste kan ook niet elke wetenschapper doen. Een universele mens worden op de renaissancistische manier, is in deze tijd onhaalbaar. Je moet niet aan mollen vragen om boven het weiland te gaan zweven. Maar als collectief, als samenleving, zouden we het wél voor elkaar moeten krijgen.

We leven in een tijd waarin grenzen wegvallen. Grenzen tussen disciplines, landen, culturen – we hebben ze nog nooit zo makkelijk kunnen overstijgen als vandaag. En morgen zal het nog makkelijker zijn. Maar hoe reageren we daarop?

Het lijkt of we er in hetzelfde tempo nieuwe grenzen voor in de plaats willen zetten. We gaan dingen nog strakker regelen. Organisatiestructuren nog meer verfijnen, nieuwe schotjes optrekken tussen disciplines. De tolerantie voor fouten neemt af. Alles is erop gericht om dingen in voorspelbare banen te leiden. Dat heeft een groot voordeel: je komt niet voor onaangename verrassingen te staan, want onbegrensdheid is wel erg duizelingwekkend. Maar het nadeel is dat je je flexibiliteit kwijtraakt.

Een natuurkundige beschreef vroeger verschijningsvormen van materie, zoals hij die in de natuur vond. Mineralen, gassen, vloeistoffen. Nu kan hij die materie zelf maken – molecuul voor molecuul, atoom voor atoom. Maar dan moet je jezelf wel de vraag stellen: wat ga ik maken? Wat is eigenlijk een interessante vraag? Want er kan zoveel.

Daar kan de kunst een belangrijke rol bij spelen. Wetenschappers redeneren doorgaans vanuit het materiaal, maar wat betekent het om iets te maken? Veel kunstenaars zijn zich bewust van wat technologie vermag. Het feit dat we radicaal kunnen gaan ingrijpen in de wereld en in ons lichaam. De kunst reflecteert op wetenschap en technologie, maar komt ook met nieuwe impulsen. Die werelden grijpen nu in elkaar. Voorlopig is dat misschien nog niet erg zichtbaar. Maar als je wat meer afstand neemt, is het een duidelijke trend. Als je het versneld zou zien, zou je zeggen: het geeft een intense botsing.

En toch wordt dit niet van hogerhand gestimuleerd. In tegendeel: mensen dienen vooral in hun hokjes te blijven. Een student scheikunde wordt niet geacht een sculptuur te maken. Sterker nog: zelfs als hij eens een vak kunstgeschiedenis zou willen volgen, stuit hij in veel gevallen op onbegrip en bureaucratische rompslomp. Het kabinet heeft maatregelen aangekondigd tegen het doen van meer studies tegelijkertijd. En na een afgeronde masterstudie een tweede master volgen is twee keer zo duur geworden als dat het enkele jaren geleden was.

Zelf ben ik na mijn studie Natuurkunde overgestapt naar de Rietveld Academie. Dat is voor mij een leerzame periode geweest. Ik ontdekte ook parallellen tussen het maken van een schilderij en een som. De worsteling die je doormaakt om een idee gestalte te geven in materie, en tegelijkertijd oog te houden voor dat wat tijdens het werkproces toevalligerwijs ontstaat. Na die periode heb ik me met meer overgave in de wetenschap kunnen storten en daar carrière kunnen maken.”

III VRIJ SPELEN MET EEN DOEL

“Het is van cruciaal belang dat we ruimte organiseren voor vrijplaatsen om te experimenteren, plaatsen waar mensen buiten de vaste kaders kunnen denken. Voor kinderen is het belangrijk om te kunnen spelen. Voor een maatschappij geldt hetzelfde.

Zowel in de wetenschap als in de kunsten zijn er ideeën geweest die onze samenleving op een ongekende manier hebben bepaald. Maar dat gebeurde nooit via voorspelbare wegen. Ik kan wel voorspellen dat er nieuwe briljante ideeën zullen komen, maar ik kan vooraf niet zeggen van wie, of zelfs maar uit welke hoek ze zullen komen. Wat ik wel kan zeggen is dat de ruimte waar zulke ideeën eventueel tot stand kunnen komen, onder druk staat.

In de tijd dat wetenschap bestond uit een paar individuen die aan één of ander hof voor een hertog experimenten deden of theorieën bedachten, was er voor onderzoekers veel vrijheid. Anno nu is wetenschap kostbaar en grootschalig. Bedrijven, overheden en burgers willen weten waar het goed voor is. Wat het op zal leveren. Wetenschappers moeten tegenwoordig vooraf uitleggen wat de directe toepasbaarheid van hun onderzoeksresultaten zal zijn.

In de kunst geldt iets vergelijkbaars: men wil direct resultaat zien. Er moet een groot publiek worden getrokken. Het moet aan verwachtingen voldoen, het moet geld genereren, stel je voor dat het in eerste instantie enkel geld zou kosten.

In een laboratorium kun je processen testen, die uiteindelijk een rol gaan spelen in de samenleving. Onmiddellijk, maar ook over vijftig jaar. Op de schaal van een mensenleven is dat lang. Op de schaal van beleidsmakers is het een lichtjaar. Maar op de schaal van het grote geheel, de ontwikkeling van de wetenschap en de samenleving, is het één keer knipperen met je oog.

Honderd jaar geleden bestudeerde men in laboratoria het elektron. Dat was een vreemd deeltje, waarover nog niet veel bekend was. Daar hielden wetenschappers zich puur uit theoretische interesse mee bezig. Gewoon omdat ze wilden weten uit welke deeltjes de materie was gemaakt. Nu kennen we het woord elektron voornamelijk in de vorm van elektronica, die ons hele leven beïnvloedt – van televisie tot smartphone. Degenen die destijds met elektronenbuisjes speelden, konden dat niet weten. Maar zonder het gewaagde gespeel van die nieuwsgierige mensen, had onze wereld er totaal anders uitgezien.

Een ander voorbeeld: vijftig jaar geleden verwonderden wetenschappers zich over de mooie symmetrische structuren die ze in kristallen gemaakt uit cellen aantroffen. Daar was onder meer een eigenaardig molecuul bij dat DNA heette. Toen zijn ze eens gaan kijken hoe dat in elkaar zit. Nu kennen we praktisch de hele moleculaire basis van het leven. Je kan geen medische toepassing meer bedenken die niet over moleculen gaat, of over genetisch materiaal. Er is bijna geen andere manier meer om over de mens en het leven na te denken.

Sommige radicale ideeën of onderzoeksresultaten hebben een lange incubatietijd. Als we de onvoorspelbaarheid van de vrije ruimte uit onze systemen bannen, dan werken we onszelf uiteindelijk tegen. Er moet ruimte zijn voor gewaagd spel.”

Trouw, 04-09-11 © Marc van Dijk