Filosoof René Gude (52) over kanker, realisme en optimisme. Dit was in januari 2010 het eerste interview waarin hij, na lang aarzelen, over zijn ziekte sprak.

René Gude, directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte te Leusden, oud-hoofdredacteur van Filosofie Magazine, is een optimist. Toen bij hem een ernstige vorm van kanker werd geconstateerd, was dat voor hem mentaal niet slopend.

Hij woont met zijn vrouw in een moderne woonboot aan de noordelijke IJ-oever, met zicht op het Amsterdamse Centraal Station. De ark is nieuw, de ligplaats hebben ze al jaren. Toen hij hun vorige woonschip, een oude vrachtboot, wegvoer naar het adres van de nieuwe eigenaars, gebeurde er iets wat zijn leven op zijn kop zette. Het is nu twee jaar geleden.

René Gude: ‘Het was een prachtige zonnige dag, eind november 2007. Mijn zoon stond aan had het roer, ik gooide in de sluizen de trossen om de bolders. We meerden hem keurig netjes af in zijn nieuwe haven in Zaandam. Ik liep over het achterdek om de laatste lijntjes te controleren, ik stapte van een trapje af en toen hoorde ik het geluid van brekend bot. Ik was nog niet eens gevallen. Mijn been brak en daarna viel ik om, heel raar. En toen lag ik daar op het achterdek. De brandweer heeft me weg moeten takelen.’

In het ziekenhuis volgden een onderzoek en een operatie. Aanvankelijk leek er niet veel aan de hand te zijn, maar na drie maanden kreeg Gude alsnog een alarmerende diagnose te horen: botkanker. Hij moest opnieuw onder het mes; het besmette bot in zijn bovenbeen werd verwijderd en vervangen door een titaniumprothese. In april 2008 begonnen de chemokuren.

Nu, anderhalf jaar na de laatste kuur, is de toestand stabiel: de gevreesde uitzaaiingen in de longen blijven uit, het leven herneemt zijn loop. Gude heeft zijn werk als directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) weer volledig opgepakt, leidt workshops en geeft cursussen filosofie. In november interviewde hij op verzoek van koningin Beatrix de Duitse filosoof Peter Sloterdijk in het paleis op de Dam.

Gude: ‘Veel mensen zeiden: “Het verbaast ons niets dat jij het gered hebt, jij hebt zo’n positieve instelling. Je optimisme heeft je erdoor gehaald.” Maar dat is magisch denken en een rare opvatting van optimisme. En zoals de zwemmer en ex-kankerpatiënt Maarten van der Weijden al heeft uitgelegd: het suggereert dat de mensen die de ziekte niet hebben overleefd, niet hard genoeg hebben geloofd.

‘Ik deelde gedurende lange periodes een ziekenhuiskamer met twee jongens, één van 18 en één van 21. Zij hebben zich met kalme vastberadenheid overgegeven aan de behandeling, met een ferme hoop op een goede afloop. Een volmaakt positieve instelling, zonder de ogen te sluiten voor de grote kans dat het mis kon gaan. Maar zij hebben het niet gehaald, en ik wel.’

Was het slopend? ‘Fysiek wel. Die chemokuren hadden officieel 26 bijwerkingen en ik geloof dat ik er zelf nog twee bij bedacht heb. Maar mentaal niet. Eerder het tegenovergestelde: het leven werd ineens heel overzichtelijk. Mijn vrouw en ik incasseerden de diagnose en zijn daarna direct de dingen gaan doen die je moet doen als je zo’n ziekte hebt. Al het andere is automatisch van de baan. Dus mijn mentale toestand was een stuk evenwichtiger dan in mijn dagelijks leven, waarin de problemen vaak een stuk minder helder zijn.

‘Daarbij: mensen zijn ineens ontzettend aardig voor je. En als je, zoals ik, nogal eens geneigd bent om aan jezelf te twijfelen, dan doet dat wel iets met je. Maanden achtereen kwamen er mensen langs die verschrikkelijk lief tegen me waren. Dan wordt het wel wat moeilijker om een laag zelfbeeld overeind te houden.’

De optimist bekijkt het van de zonzijde? ‘Welnee. Wat is optimisme? In het dagelijks taalgebruik heeft het de betekenis gekregen van een tamelijk passieve levenshouding, een haast verlammend vertrouwen in de goede afloop: “We nemen nog een biertje, alles komt goed, wees blij”.’

Maar de klassieke betekenis van optimisme is anders, legt Gude uit. De term kwam op als benaming van de filosofie van Gottfried Leibniz (1646-1716), al heeft die zichzelf nooit ‘optimist’ genoemd. Het was een scheldnaam die hem naar het hoofd werd geslingerd door theologen. Leibniz’ bekendste uitspraak is: ‘Wij leven in de beste van alle mogelijke werelden.’

Gude: ‘Die stelling werd in Leibniz’ eigen tijd volkomen belachelijk gemaakt. Met name Voltaire (1694-1778) heeft zich daarin uitgeleefd. In de roman “Candide ou l’optimisme” wordt Leibniz opgevoerd als leermeester Pangloss. Pangloss maakt de meest afgrijselijke dingen mee. Hij wordt galeislaaf, zijn neus wordt eraf gesneden, hij wordt in een ketel gekookt en op een brandstapel geroosterd. Maar hij blijft troost putten uit het idee dat we in de beste van alle mogelijke werelden leven. Dat gaat op een gegeven moment natuurlijk ridicuul klinken.

‘Maar Leibniz heeft nooit beweerd heeft dat de wereld goed is zoals hij is. Hij heeft alleen maar gezegd dat van alle denkbare werelden deze wereld blijkbaar de beste papieren had. Het is een optimum, het is “slechts” optimaal, het had ook anders kunnen lopen. Voor de toekomst kunnen wij een veelvoud van mogelijke scenario’s uitwerken, maar vandaag kijken wij naar een singuliere gerealiseerde wereld. De wereld zoals hij nu is, is de resultante van alle natuurkrachten, maatschappelijke bewegingen en persoonlijke intenties die erin werkzaam zijn. De beste van alle mogelijke werelden is een momentopname. De beste hoeft helemaal niet goed te zijn. Hij kan altijd beter.

‘Leibniz had dus helemaal geen naïef vertrouwen in een goede afloop. Volgens hem moeten we met behulp van filosofie en wetenschap een helder beeld vormen van de wordingsgeschiedenis van het huidige optimum, de wereld zoals die nu is. Vervolgens moeten we alles doen wat in ons bereik ligt om eraan bij te dragen dat het volgende optimum beter wordt dan het huidige.’

Het klinkt bijna als een politieke opdracht. ‘Dat is het ook. Politici zouden zich meer moeten trainen in het analyseren van de wereld, in plaats van direct oplossingen aan te dragen. Ze zouden moeten streven naar een haast onthecht beeld van het optimum waarin we leven, zonder daar meteen persoonlijke, partijpolitieke of anderszins subjectieve kleuring aan te geven. Dat zou wat mij betreft ideale politiek zijn, maar het past nauwelijks bij de belangenbehartiging waar Kamerleden zich in de praktijk mee bezig houden. Je ziet het wél bij parlementaire enquêtes: partijneutrale waarheidsvinding biedt lessen voor de toekomst. Dat is optimistische politiek in de ware zin des woords.’

En hoe werkt optimisme op persoonlijk niveau? ‘Toen ik aan de chemokuren begon, was het optimum niet goed: te veel kankercellen. Zonder mezelf of anderen een rad voor ogen te draaien ben ik dingen gaan doen om een beter optimum te bewerkstelligen. Daarvoor heb ik een afgrijselijke, maar wel de best denkbare, behandeling ondergaan zonder de zekerheid van een goede afloop. En die zekerheid is er nog steeds niet.

‘De kwintessens van het optimisme als levenshouding is dat je eerst heel goed onderzoekt wat er op dit ogenblik aan de hand is. Je stelt het moment dat je je vastpint op een doel, een volgend optimum, zo lang mogelijk uit, liefst tot je genoeg over jezelf en je situatie weet om te kunnen kiezen. En daarbij sluit je niet je ogen voor het negatieve, integendeel.

‘De ware optimist is een zwartkijker. Hij ziet in dat de wereld een bijzonder bewerkelijke aangelegenheid is, een aaneenschakeling van optima die zowel hoogte- als dieptepunten zijn. Een optimum kan verschrikkelijk zijn. Het Derde Rijk was ook een optimum. Alle reden om te kijken naar de idealen die tot die afgrijselijke werkelijkheid geleid hebben. Pessimisten maken zich van dat onderzoek af door te stellen alle idealisme gedoemd is om te mislukken. Een optimist onderkent door Auschwitz de kracht van idealen en streeft juist daarom naar verbetering, eerst maar eens van die idealen, dat is toch wel het minste wat je kunt doen. Want onze ideeën hebben kennelijk invloed.

‘De optimist stemt in met de wereld, inclusief alle ellende, en beschouwt het als zijn morele opdracht om ervoor te zorgen dat het optimum van morgen beter zal zijn. In het bewustzijn dat dit misschien of zelfs waarschijnlijk niet zal lukken. Zonder overspannen utopische verlangens. In het besef dat hij overmorgen opnieuw naar een nog beter optimum zal moeten streven. Zoals de jongens en ik in het ziekenhuis: we hadden een duidelijk voornemen om het te overleven en we deden alles wat ervoor nodig was om dat te realiseren – we maakten de omstandigheden optimaal.’

Lukas, de jongste van de twee lotgenoten met wie René Gude in het ziekenhuis lag, wilde bij Gudes ISVW een basisopleiding filosofie komen volgen zodra hij beter was. Zover is het nooit gekomen. Maar Gude heeft Lukas college aan huis gegeven tot vlak voor diens overlijden.

Pas als hij hierover vertelt, verliest Gude zijn beheersing. Voor iemand die zichzelf omschrijft als ‘een cholerisch type’, lijkt hij zijn emoties aardig in bedwang te hebben, maar dat gaat blijkbaar niet vanzelf. ‘Ik ben een emotionele dweil. Juist daarom dwing ik mezelf om steeds zo rustig en zo langzaam mogelijk na te denken over mijn toestand. Om het weinige wat ik wél weet, zo stevig mogelijk te verankeren.

‘Emoties brengen je in beweging. Maar de kwestie is: ben je een speelbal van wat je beweegt of kun je er een klein beetje sturing in aanbrengen? Kun je, zoals Descartes het noemde, architect worden van je passies.’

Dat is niet eenvoudig als het om doodsangst gaat. ‘Klopt. Mijn eerste emoties waren verzet en protest. Maar toen ik over de dood probeerde na te denken, dacht ik: ik heb eigenlijk geen idee waar ik bang voor zou kunnen zijn. Het onderzoeken van de voorstelling vermindert de angst. Tegen een kind dat bang is voor spoken kun je zeggen: “Waarom halen die spoken van jou nooit de krant met hun wandaden?”

‘Wij kunnen onszelf door onze verbeeldingskracht van alles in ons hoofd halen over de dood, maar we zullen die beelden nooit kunnen toetsen. Als je over je eigen dood nadenkt, dan is dat een totaal abstracte exercitie.

‘Het enige waar ik me druk om kan maken, is de situatie van mijn dierbaren, als ik er niet meer zou zijn. Dáár hebben we met elkaar over gepraat. Daar kon ik verdrietig van worden. Maar mijn eigen dood: ik heb gewoon geen idee. Dus kan ik er ook niet benauwd voor zijn.’

Is Gude dan niet gehecht aan zijn leven, als de gedachte om het te verliezen hem zo weinig doet? ‘Jawel. Maar we zullen er toch ooit afstand van moeten doen. Terwijl ik echt een fantastisch leven heb. Het bewijs daarvoor is dat ik mijn leven van voor de ziekte totaal niet heb willen veranderen na de ziekte. Mijn huwelijk niet, mijn kinderen niet, mijn vrienden niet, mijn baan niet. Ik ben behoorlijk tevreden met dat alles, dat is het punt helemaal niet. Maar ik vind het leven ook een hoop gedoe. Een hoop gedoe. En in zekere zin maakt de dood daar op een natuurlijke manier een eind aan.

‘Ik ben absoluut niet suïcidaal, integendeel. Ik heb niet voor niets die chemokuren gedaan om mijn overlevingskans te verhogen van twintig naar zestig procent. Ik hou van het leven en van mijn geliefde en alle andere mensen om me heen. En ik heb ook het geluk dat ik nogal wat mogelijkheden heb om van het leven iets te maken. Dat stel ik bijzonder op prijs. Maar het brengt ook met zich mee dat je de plicht hebt, of laat ik zeggen de noodzaak, dat klinkt minder moralistisch, om er iets mee te doen. En dat is een tamelijk bewerkelijke aangelegenheid. Daarom hoop ik dat ik aan het eind van mijn leven kan denken: het is mooi geweest. Zoals Jan Wolkers zei: “Zo is het genoeg.” Niet dat het zinloos was, niet dat ik niets tot stand gebracht heb, maar zo is het genoeg.

‘Van mijn kamergenoten in het ziekenhuis, Lukas en Marius, heb ik geleerd dat sterven een kunst is waarvoor je geen kennis van de filosofie hoeft te hebben, en zelfs niet van het optimisme. Die jongens waren grootmeesters in het beoordelen van het optimum waarin ze zich bevonden. Zij hebben zich vastgehouden aan het leven, ze hebben geen gedachte vuilgemaakt aan de dood, tot het echt niet meer anders kon.

‘Op het moment dat vast kwam te staan dat ze niet meer voorwaarts konden, hebben ze zich omgedraaid. Ze hebben de toekomst de rug toegekeerd en hebben hun laatste gang achteruitlopend afgelegd, om oogcontact te houden met de levenden.’

 

Filosofie Magazine, januari 2010 © Marc van Dijk